RJ 220 Voorraden: kostprijs, opbrengstwaarde en toelichting
RJ 220 regelt hoe u voorraden opneemt, waardeert en toelicht. Handelsgoederen, grondstoffen en eigen productie staan tegen kostprijs, of tegen de opbrengstwaarde als die lager is: de verwachte verkoopprijs min de kosten die nog nodig zijn. Actuele waarde mag alleen voor agrarische voorraden. Micro en klein volgen RJk B4, middelgroot en groot RJ 220.
Het korte antwoord
RJ 220 regelt hoe u voorraden opneemt, waardeert en toelicht. Handelsgoederen, grondstoffen en eigen productie staan tegen kostprijs, of tegen de opbrengstwaarde als die lager is: de verwachte verkoopprijs min de kosten die nog nodig zijn. Actuele waarde mag alleen voor agrarische voorraden. Micro en klein volgen RJk B4, middelgroot en groot RJ 220.
Bijgewerkt op 27 oktober 2026
Kerngegevens
| Wettelijke basis | art. 2:369 BW (indeling), art. 2:385 lid 2 en 3 BW (kostprijsmethoden), art. 2:387 lid 2 BW (lagere waarde), art. 2:388 BW (verkrijgings- en vervaardigingsprijs) |
| Richtlijn | Middelgroot en groot: RJ 220 (aangepast 2025) sinds boekjaar 2026, en RJk B4 voor de twee kleinste klassen |
| Valt erbuiten | Projecten in opdracht van derden en onderhanden werk bij dienstverlening (RJ 221); reserveonderdelen voor eigen machines (materiële vaste activa) |
| Actuele waarde | Alleen voor agrarische voorraden, en dan de opbrengstwaarde (art. 8 Besluit actuele waarde) |
Wat RJ 220 regelt, en wat niet
Voorraden zijn goederen die u aanhoudt om te verkopen, die nog in productie zijn, of grond- en hulpstoffen die u verbruikt bij productie of dienstverlening. De bestemming beslist: dezelfde onderdelen zijn voorraad als u ze verkoopt, en materieel vast actief als ze uw eigen machines draaiende houden (RJ 220.102). De wet bepaalt welke soorten voorraad u onderscheidt:
Onder de tot de vlottende activa behorende voorraden worden afzonderlijk opgenomen:
a. grond- en hulpstoffen;
b. onderhanden werk;
c. gereed produkt en handelsgoederen;
d. vooruitbetalingen op voorraden.
Het onderhanden werk in deze lijst is halffabricaat in uw eigen productie. Een project dat u voor een klant bouwt, of een opdracht in de dienstverlening die nog loopt, hoort niet hier maar bij RJ 221 Onderhanden projecten (RJ 220.103). Het verschil is wezenlijk: op voorraad neemt u pas winst bij verkoop, op een project naar voortgang.
Op de balans telt de voorraad waarover u beschikt; goederen in consignatie bij een afnemer blijven doorgaans van u (RJ 220.203). Voorverkopen en voorinkopen tellen niet mee, en een vaste ‘normale voorraad’ evenmin (RJ 220.204). Dreigt op een lopend in- of verkoopcontract verlies, dan toetst u dat als verlieslatend contract onder RJ 252 (RJ 220.205).
Welke versie geldt voor uw boekjaar
| Boekjaar | Middelgroot en groot (RJ 220) | Micro en klein (RJk B4) |
|---|---|---|
| 2025 | RJ 220 (aangepast 2022). Bij het categoriale model vroeg oude alinea 606 nog een uitsplitsing van de kostprijs van de omzet in materiaal, lonen en andere kosten. | RJk B4 zoals sinds boekjaar 2021 |
| 2026 | RJ 220 (aangepast 2025). Nieuwe alinea 601a omschrijft het te vermelden bedrag: wat eerder in de waardering zat van de voorraad die nu verkocht is, ongeacht het model van de winst-en-verliesrekening. Alinea 606 is vervallen (RJ-Uiting 2025-3A). | B4 inhoudelijk gelijk aan 2025 |
| 2027 | Dezelfde tekst als in 2026; de editie 2027 raakt hoofdstuk 220 niet. | Nog steeds B4 (aangepast 2020); tussen de edities 2025 en 2027 veranderde alleen de schrijfwijze van enkele verwijzingen |
Wat hoort in de kostprijs
De kostprijs is de verkrijgingsprijs (inkoopprijs plus bijkomende kosten, art. 2:388 lid 1 BW) of de vervaardigingsprijs (art. 2:388 lid 2 BW), plus wat nodig is om de goederen op hun plek en in hun huidige staat te krijgen (RJ 220.302). Handelskortingen gaan eraf zodra u ze waarschijnlijk ontvangt; terug te vragen btw hoort er niet in (RJ 220.303). De belangrijkste keuzes:
- Indirecte productiekosten. RJ 220 rekent vaste en variabele productie-overhead systematisch toe aan de voorraad (RJ 220.305 en 306). De vaste kosten verdeelt u over de normale capaciteit, niet over de werkelijke productie. Draait de fabriek minder, dan gaat het niet toegerekende deel direct ten laste van het resultaat (RJ 220.307). RJk B4.104 hanteert dezelfde verdeelsleutel.
- Wat er nooit in hoort. Abnormale uitval en verspilling, opslag (tenzij het product moet rijpen of de opslag een productiestap is), algemene administratiekosten en verkoopkosten (RJ 220.310).
- Rente. Rente over de vervaardigingsperiode mag u activeren onder de voorwaarden van RJ 273; u vermeldt dan dat u dat doet (art. 2:388 lid 2 BW).
- Lange betaaltermijn. Betaalt u de leverancier veel later dan gebruikelijk, dan is de contante waarde van die betaling de kostprijs (RJ 220.311).
Een kostprijsmethode kiezen
Voor uitwisselbare goederen staat de wet gewogen gemiddelde prijzen, FIFO, LIFO en vergelijkbare methoden toe (art. 2:385 lid 2 BW). Gelijksoortige voorraad krijgt één methode; een andere vestiging of een fiscale reden rechtvaardigt geen tweede (RJ 220.313 en 314). De RJ raadt LIFO af omdat de balans dan oude prijzen toont; wie het toch gebruikt, vermeldt hoe, en de voorraad volgens FIFO of het gemiddelde als dat wezenlijk verschilt (RJ 220.316 en 602). Onder de RJk is dat laatste een overweging (B4.110).
Unieke stukken en goederen die u voor één project maakt, waardeert u tegen hun eigen kosten (RJ 220.317). Een standaardkostprijs of, in de detailhandel, verkoopwaarde min brutomarge mag, zolang de uitkomst de werkelijke kostprijs benadert (RJ 220.320 en 321). Kleine, steeds aangevulde voorraden grond- en hulpstoffen mag u op een vaste hoeveelheid en waarde zetten (art. 2:385 lid 3 BW).
Lagere opbrengstwaarde
Vlottende activa worden gewaardeerd tegen actuele waarde, indien deze op de balansdatum lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De waardering geschiedt tegen een andere lagere waarde, indien het in artikel 362 lid 1 bedoelde inzicht daardoor wordt gediend.
Voor voorraad is die lagere waarde de opbrengstwaarde: de verwachte verkoopprijs min de kosten van voltooiing en verkoop. Vier regels uit RJ 220 maken het concreet:
- U toetst per artikel, of per groep artikelen uit hetzelfde assortiment; een hele categorie zoals ‘gereed product’ in één keer afwaarderen mag niet (RJ 220.324).
- Prijsdalingen na de balansdatum tellen mee als ze bevestigen hoe het er op de balansdatum voor stond (RJ 220.325). Wat u met een vast verkoopcontract afzet, toetst u aan de contractprijs (RJ 220.326).
- Grondstoffen en halffabricaten gaan niet omlaag zolang het eindproduct naar verwachting minstens de kostprijs opbrengt (RJ 220.327; RJk B4.108).
- Een afwaardering draait u terug zodra de reden vervalt, tot ten hoogste de kostprijs (RJ 220.328; art. 2:387 lid 4 BW).
Agrarische voorraden mogen ook tegen actuele waarde staan, dat is de opbrengstwaarde (art. 8 Besluit actuele waarde). Zonder frequente marktnotering loopt een waardestijging dan via een herwaarderingsreserve (RJ 220.401 tot en met 403).
Per grootteklasse
| Klasse | Balans | Toelichting |
|---|---|---|
| Micro (balanstotaal ≤ € 450.000, netto-omzet ≤ € 900.000, < 10 werknemers) | Alleen het totaal van de vlottende activa (art. 2:395a lid 4 BW) | Geen toelichting (lid 6). Waarderen doet u wel volgens afdeling 6 en de RJk (M1.301). |
| Klein (balanstotaal ≤ € 7,5 mln, netto-omzet ≤ € 15 mln, < 50 werknemers) | Eén post voorraden volstaat; de vier soorten van art. 2:369 hoeven niet apart (art. 2:396 lid 3 BW; RJk B4.101) | Verplicht: waarderingsgrondslag met kostprijsmethode, bepaling van de opbrengstwaarde, verpande voorraad, het feit dat rente is geactiveerd en aan- of verkoopverplichtingen van bijzondere betekenis. Vrijwillig: boekwaarde tegen opbrengstwaarde, bedrag van de rente en terugnemingen (RJk B4.110). |
| Middelgroot (balanstotaal ≤ € 25 mln, netto-omzet ≤ € 50 mln, < 250 werknemers) | De vier soorten in de opgemaakte balans; in de openbaar gemaakte balans mag één post (art. 2:397 lid 5 BW noemt art. 2:369 niet) | RJ 220.601 tot en met 605, behalve de kostprijs van de verkochte voorraad (art. 2:397 lid 3 BW) |
| Groot | De vier soorten, ook in de openbaar gemaakte balans | RJ 220.601 tot en met 605 zonder vrijstelling, dus ook de kostprijs van de verkochte voorraad |
Casus: meubelfabriek met een stilstaande zaagstraat
Meubelfabriek Linde BV (fictief) maakt eettafels. Onder normale omstandigheden komen er 10.000 tafels per jaar van de band. De vaste productiekosten (afschrijving machines, huur van de hal, salaris van de ploegleider) zijn € 300.000 per jaar, dus € 30 per tafel bij normale capaciteit. Per tafel kosten hout en beslag € 80 en de directe arbeid € 50. Door een defecte zaagstraat maakt Linde in 2026 maar 8.000 tafels.
| Kostprijs per tafel | Bedrag |
|---|---|
| Hout en beslag | € 80 |
| Directe arbeid | € 50 |
| Vaste productiekosten op basis van normale capaciteit (€ 300.000 : 10.000) | € 30 |
| Kostprijs | € 160 |
Van de vaste kosten gaat 8.000 × € 30 = € 240.000 de kostprijs in. De overige € 60.000 is een last van 2026, in welk model u de winst-en-verliesrekening ook opstelt. Wie de werkelijke productie als verdeelsleutel neemt, rekent € 37,50 per tafel en houdt bij een eindvoorraad van 1.500 tafels € 11.250 te veel op de balans.
Eind 2026 staan er 1.500 tafels in het magazijn. Voor 200 tafels in een kleur die niet meer loopt, verwacht Linde € 150 per stuk, met € 15 aan transport en provisie: een opbrengstwaarde van € 135, dus € 25 onder de kostprijs.
| Voorraad gereed product 31 december 2026 | Berekening | Bedrag |
|---|---|---|
| Courante tafels | 1.300 × € 160 | € 208.000 |
| Tafels in de oude kleur | 200 × € 135 | € 27.000 |
| Balanswaarde | € 235.000 | |
| Afwaardering ten laste van 2026 | 200 × € 25 | € 5.000 |
Uitkomst per klasse. De waardering is in elke klasse dezelfde. Als kleine rechtspersoon op de RJk zet Linde één post voorraden op de balans en vermeldt zij de grondslag, de gemiddelde kostprijs als methode en hoe zij de opbrengstwaarde bepaalt; de € 27.000 tegen opbrengstwaarde noemen mag, maar hoeft niet. Is Linde middelgroot, dan vermeldt zij die € 27.000 en de afwaardering van € 5.000 wel, maar niet de kostprijs van de verkochte tafels. Een grote Linde noemt ook dat laatste bedrag. Als micro-onderneming toont Linde alleen haar vlottende activa in totaal, zonder toelichting.
Veelgemaakte fouten
- Vaste productiekosten delen door de werkelijke productie in een slecht jaar, waardoor leegloop als voorraad op de balans blijft staan.
- Verkoopkosten, magazijnhuur of algemene kantoorkosten in de kostprijs opnemen.
- Een ‘voorziening incourante voorraad’ aan de passiefzijde zetten. Een waardevermindering van een actief is geen voorziening (art. 2:374 lid 2 BW); u boekt haar af op de voorraad zelf.
- Grondstoffen afwaarderen omdat de inkoopprijs daalde, terwijl het eindproduct nog met winst verkoopt.
Zo werkt het bij Jaarrekening.io
Voert u de boekhouding in Jaarrekening.io, dan legt u per administratie de waarderingsmethode vast, met een ingangsdatum: gewogen gemiddelde, FIFO of een vaste verrekenprijs (LIFO zit er niet in). De afwaardering per artikel is het grootste van twee bedragen: het tekort op de opbrengstwaarde (verwachte verkoopprijs min verkoopkosten) of een incourantheidspercentage dat u opgeeft. In de toelichting vraagt de app naar de kostprijsmethode en naar de manier waarop u de opbrengstwaarde bepaalt. Het bepalen van de normale capaciteit en de inschatting van de verkoopprijs blijven uw oordeel.
Bronnen
- Art. 2:369 BW: indeling van de voorraden (wetten.overheid.nl)
- Art. 2:385 BW: FIFO, LIFO, gemiddelde prijzen en vaste hoeveelheid
- Art. 2:387 BW: lagere actuele waarde van vlottende activa
- Art. 2:388 BW: verkrijgings- en vervaardigingsprijs
- Besluit actuele waarde, art. 8 (agrarische voorraden)
- RJ-Uiting 2025-3A: aanpassing RJ 220.505, 601a en 606 (rjnet.nl)
Veelgestelde vragen
Mag ik mijn voorraad tegen actuele waarde waarderen?
Alleen agrarische voorraden, zoals geoogste producten, mogen tegen actuele waarde staan, en dan tegen de opbrengstwaarde (art. 8 Besluit actuele waarde; RJ 220.301). Alle andere voorraden waardeert u tegen kostprijs of de lagere opbrengstwaarde. Dat geldt in elke grootteklasse, ook bij micro (RJk M1.303).
Moeten de vaste fabriekskosten in de kostprijs van de voorraad?
Volgens RJ 220.306 en 307 rekent u vaste en variabele productie-overhead systematisch toe, op basis van de normale capaciteit van de fabriek. Wat bij onderbezetting niet wordt toegerekend, is een last van het jaar. RJk B4.104 gebruikt dezelfde verdeelsleutel. Algemene administratie en verkoopkosten blijven altijd buiten de kostprijs (RJ 220.310).
Mag een afwaardering van voorraad later worden teruggedraaid?
Ja. Op elke balansdatum schat u de opbrengstwaarde opnieuw. Is de reden voor de afwaardering vervallen, of stijgt de opbrengstwaarde door gewijzigde omstandigheden, dan boekt u de afwaardering terug, tot ten hoogste de oorspronkelijke kostprijs (RJ 220.328; art. 2:387 lid 4 BW). Middelgrote en grote rechtspersonen vermelden het bedrag en de reden van de terugneming (RJ 220.601).
Moet een kleine BV haar voorraad op de balans uitsplitsen?
Nee. Een kleine rechtspersoon hoeft de soorten van art. 2:369 BW niet afzonderlijk te tonen (art. 2:396 lid 3 BW; RJk B4.101). Een middelgrote rechtspersoon splitst wel in de opgemaakte balans, maar mag in de openbaar gemaakte balans één post voorraden tonen (art. 2:397 lid 5 BW).
Lees ook
Klaar voor uw jaarrekening?
Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.
Gratis starten