Richtlijnen (RJ)

RJ 290 Financiële instrumenten: wat een mkb-bedrijf ermee moet

RJ 290 regelt alle financiële instrumenten, van leningen tot derivaten. Voor de meeste mkb-bedrijven komt het neer op drie dingen: leningen tegen geamortiseerde kostprijs, een renteswap of valutatermijncontract via kostprijshedge-accounting, en de toelichting op de marktwaarde van derivaten. Handelsportefeuilles en complexe producten laat deze pagina liggen; die vragen maatwerk.

✓ Eerste jaarrekening gratis ✓ Micro tot grote rechtspersoon ✓ Publicatieversie per grootteklasse ✓ Primaire database in de EU · verwerkersovereenkomst

Het korte antwoord

RJ 290 regelt alle financiële instrumenten, van leningen tot derivaten. Voor de meeste mkb-bedrijven komt het neer op drie dingen: leningen tegen geamortiseerde kostprijs, een renteswap of valutatermijncontract via kostprijshedge-accounting, en de toelichting op de marktwaarde van derivaten. Handelsportefeuilles en complexe producten laat deze pagina liggen; die vragen maatwerk.

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

Wettelijke basisart. 2:381a en 2:381b BW (toelichting), art. 2:384 lid 7 en 8 BW (waardeveranderingen en afdekking), art. 10 Besluit actuele waarde
RichtlijnBoekjaar 2027: RJ 290 (aangepast 2026); boekjaar 2025 en 2026: de tekst van 2024. Micro en klein: het korte RJk B12, dat voor de indeling naar RJ 290 verwijst
Valt erbuitenGroepsmaatschappijen en deelnemingen (RJ 214), lease (RJ 292), pensioenen (RJ 271), eigen aandelen (RJ 240), aandelenregelingen voor personeel (RJ 275)
MicroGeen waardering tegen marktwaarde (art. 5a Besluit actuele waarde), dus ook derivaten tegen kostprijs

Wat RJ 290 bestrijkt, en wat deze pagina laat liggen

Een financieel instrument is een contract dat bij de ene partij een financieel actief oplevert en bij de andere een financiële verplichting of eigen vermogen: een banklening, een debiteur, een aandeel, een renteswap. RJ 290 kent vijf soorten financiële activa: wat u voor de handel aanhoudt, afgeleide instrumenten, van anderen gekochte obligaties en leningen, zelf verstrekte leningen en vorderingen, en aandelenbeleggingen. Aan de passiefzijde zijn het er drie: handelsposities, derivaten en de rest (RJ 290.407 en 413). Per subcategorie kiest u één grondslag (RJ 290.502).

Voor debiteuren, effecten, liquide middelen en schulden staan de uitgewerkte regels in RJ 222, RJ 226 en 228 en RJ 254; RJ 290 geeft het kader en de toelichting (RJ 290.103). Handelsportefeuilles, embedded derivaten in detail, het optionele IFRS 9-model voor kredietverliezen (RJ 290.101) en de regels voor banken en verzekeraars blijven hier buiten beschouwing.

Leningen: geamortiseerde kostprijs

Verstrekte leningen, vorderingen en gewone schulden staan na de eerste opname tegen geamortiseerde kostprijs (RJ 290.519 en 523; art. 10 lid 3 Besluit actuele waarde). Transactiekosten zoals een afsluitprovisie zitten in de eerste waardering en vallen via de effectieve rente over de looptijd vrij (RJ 290.501). Lineair verdelen mag als het verschil met de effectieve-rentemethode niet belangrijk is (RJ 290.523a). Vorderingen toetst u op elke balansdatum op bijzondere waardevermindering (RJ 290.533 tot en met 540). Monetaire posten in vreemde valuta rekent u om tegen de slotkoers (RJ 290.504).

Derivaten: welke grondslag

Soort derivaatWaarderingAlinea
Aangehouden om een risico af te dekken (renteswap, valutatermijncontract)Kostprijs of reële waarde, te kiezen per type afdekkingsrelatieRJ 290.511
Overig, met beursgenoteerde aandelen als onderliggende waardeAltijd reële waarde, met waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekeningRJ 290.512
Overig, met een andere onderliggende waardeKeuze tussen kostprijs en reële waardeRJ 290.513

Bij kostprijs zonder hedge-accounting horen de periodieke afrekeningen bij hun periode, maar een reële waarde onder de kostprijs neemt u altijd als last (RJ 290.513 en 541). Bij reële waarde lopen de waardeveranderingen door het resultaat (art. 2:384 lid 7 BW), met een herwaarderingsreserve voor positieve waarden zonder frequente notering (RJ 240.218). Een micro-onderneming kan niet kiezen: marktwaarde is voor haar uitgesloten.

Hedge-accounting, en waarom het mkb kostprijshedge gebruikt

Hedge-accounting is een keuze per type afdekkingsrelatie (RJ 290.602): het resultaat van het derivaat en van de afgedekte post komen in dezelfde periode in de winst-en-verliesrekening. RJ 290 kent vier modellen: reële-waardehedge, kasstroomhedge, kostprijshedge en de afdekking van een netto-investering in het buitenland (RJ 290.618). De kasstroomhedge steunt op de wet:

Waardeveranderingen van financiële instrumenten die dienen en effectief zijn ter dekking van risico’s inzake activa, activa in bestelling en andere nog niet op de balans opgenomen verplichtingen, dan wel inzake voorgenomen transacties worden rechtstreeks ten gunste dan wel ten laste van de herwaarderingsreserve gebracht, voor zover dat noodzakelijk is om te bereiken dat deze waardeveranderingen in dezelfde periode in het resultaat worden verwerkt als de waardeveranderingen die zij beogen af te dekken.

Art. 2:384 lid 8 BW, geldende tekst per 1 juli 2026

Voor een renteswap bij een banklening met variabele rente is kostprijshedge-accounting het eenvoudigst. De lening staat tegen geamortiseerde kostprijs, dus ook de swap staat tegen kostprijs, meestal nul (RJ 290.633). De voorwaarden:

  1. U legt vooraf vast, algemeen voor een soort afdekking of per relatie, welk risico u afdekt, met welk instrument en waarom u effectiviteit verwacht (RJ 290.613 tot en met 615).
  2. Het afdekkingsinstrument is een derivaat met een partij buiten de rechtspersoon; een per saldo geschreven optie telt niet (RJ 290.605 tot en met 608).
  3. Op elke balansdatum kijkt u of er ineffectiviteit is. Kloppen de kritische kenmerken (bedrag, looptijd, renteherzieningsdata, referentierente), dan is er geen; anders meet u haar (RJ 290.634).
  4. Ineffectiviteit neemt u alleen als last voor zover zij cumulatief een verlies is (RJ 290.635). Dekt het derivaat meer af dan er nog af te dekken is, dan volgt het overschot de gewone regels: kostprijs of lagere reële waarde (RJ 290.637 en 541).

Vanaf boekjaar 2027 staat uitdrukkelijk in de richtlijn dat u ook een evenredig deel van een derivaat kunt aanwijzen, zoals de helft van het nominale bedrag, en dat u de ‘kosten van afdekking’ buiten de relatie mag houden, zoals de tijdswaarde van opties, de termijnpunten bij valutatermijncontracten en de valutabasisspread (RJ 290.608a, 641 en 642; RJ-Uiting 2026-4). Voor een gewone renteswap verandert er weinig.

Eigen vermogen of schuld, en samengestelde instrumenten

Of een uitgegeven instrument eigen of vreemd vermogen is, hangt in de geconsolideerde jaarrekening af van de economische werkelijkheid: zodra u kunt worden gedwongen geld te betalen, is het een financiële verplichting (RJ 290.801 tot en met 804). In de enkelvoudige jaarrekening mag u ook de juridische vorm volgen (RJ 240.503; zie RJ 240). Een converteerbare lening bestaat economisch uit een schuld en een conversieoptie in eigen vermogen: de schuld waardeert u als een vergelijkbare lening zonder conversierecht, de rest is eigen vermogen, en transactiekosten verdeelt u naar verhouding (RJ 290.813 tot en met 819). Wie in de enkelvoudige jaarrekening de juridische vorm volgt, houdt de hele lening tot de conversie als schuld (RJ 240.506).

Wat u vermeldt

Indien financiële instrumenten niet tegen de actuele waarde worden gewaardeerd, vermeldt de rechtspersoon:

a. voor iedere categorie afgeleide financiële instrumenten:

1°. de actuele waarde van de instrumenten, indien deze kan worden bepaald door middel van een van de krachtens artikel 384 lid 4 voorgeschreven methoden;

2°. informatie over de omvang en de aard van de instrumenten; en

b. voor financiële vaste activa die zijn gewaardeerd tegen een hoger bedrag dan de actuele waarde en zonder dat uitvoering is gegeven aan de tweede zin van artikel 387 lid 4:

1°. de boekwaarde en de actuele waarde van de afzonderlijke activa of van passende groepen van de afzonderlijke activa;

2°. de reden waarom de boekwaarde niet is verminderd, alsmede de aard van de aanwijzingen die ten grondslag liggen aan de overtuiging dat de boekwaarde zal kunnen worden gerealiseerd.

Art. 2:381b BW, geldende tekst per 1 juli 2026

Waardeert u financiële instrumenten wel tegen actuele waarde, dan geldt art. 2:381a BW: de aannames van het waarderingsmodel, per categorie de waarde en de waardeveranderingen, en bij derivaten de aard, omvang en voorwaarden. Paragraaf 9 van RJ 290 werkt de toelichting verder uit. Middelgroot moet daarvan de grondslagen, de reële waarde, het liquiditeitsrisico en de financiële vaste activa boven reële waarde geven; voor rente-, kasstroom- en kredietrisico geldt een aanbeveling (tabel bij RJ 290.9). In het bestuursverslag van middelgroot en groot beschrijft het bestuur het risicobeleid voor financiële instrumenten en de prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico's (art. 2:391 lid 3 BW).

Welke versie voor 2025, 2026 en 2027

  • Boekjaar 2025 en 2026: RJ 290 (aangepast 2024). Bij het liquiditeitsrisico kan het nodig zijn afspraken als factoring en reverse factoring toe te lichten (RJ 290.918a); een apart bedrag aan reële waarde hoeft niet als die per categorie al uit de balans blijkt (RJ 290.937; RJ-Uiting 2024-13).
  • Boekjaar 2027: RJ 290 (aangepast 2026), met de mogelijkheid om een deel van een derivaat aan te wijzen en de kosten van afdekking uit te sluiten (RJ-Uiting 2026-4). Eerder toepassen wordt aanbevolen.
  • RJk B12 is sinds boekjaar 2020 niet gewijzigd. Het hoofdstuk heeft geen eigen hedge-accountingmodel; voor onderwerpen die de RJk niet regelt, kiest een kleine rechtspersoon zelf een passende grondslag, en daarbij kan RJ 290 richting geven.

Per grootteklasse

KlasseWaardering van een renteswapToelichting
MicroAlleen kostprijs (art. 5a Besluit actuele waarde)Geen
KleinKostprijs of reële waarde (RJk B12.105); hedge-accounting volgens eigen grondslag, vaak de kostprijshedge uit RJ 290Grondslag; de marktwaarde van derivaten niet verplicht (art. 2:396 lid 5 BW stelt art. 2:381b onder a vrij); bij reële waarde wel art. 2:381a
MiddelgrootRJ 290: kostprijs of reële waarde per type afdekkingArt. 2:381a of 381b, RJ 290 paragraaf 9 met de vrijstellingen uit de tabel; risicobeleid in het bestuursverslag
GrootAls middelgrootVolledig RJ 290 paragraaf 9 en het bestuursverslag

Casus: een renteswap bij een variabele lening

Koelhuis Veldzicht BV (fictief) leent op 1 januari 2025 € 2.000.000 voor zeven jaar, aflossingsvrij, tegen de driemaands Euribor plus 1,8%. De bank eist een renteswap met hetzelfde nominale bedrag, dezelfde looptijd en dezelfde renteherzieningsdata: Veldzicht betaalt 2,6% vast en ontvangt de driemaands Euribor. Samen betaalt zij zo 4,4% vast, € 88.000 per jaar. Op 31 december 2026 is de rente gedaald; de bank geeft voor de swap een reële waarde van − € 45.000 op.

GrondslagSwap op de balans eind 2026Effect op het resultaat 2026Herwaarderingsreserve
Kostprijshedge-accounting (RJ 290.633 en 634)Niets (kostprijs nihil)Rentelast € 88.000–
Kostprijs zonder hedge-accounting (RJ 290.513 en 541)Verplichting € 45.000Rentelast € 88.000 plus € 45.000 waardeverlies–
Reële waarde met kasstroomhedge (art. 2:384 lid 8 BW)Verplichting € 45.000Rentelast € 88.000− € 45.000 (mag negatief, RJ 240.232)

Omdat de kenmerken van swap en lening gelijk zijn, is er bij de kostprijshedge geen ineffectiviteit en blijft de swap buiten de balans. Als middelgrote rechtspersoon vermeldt Veldzicht het nominale bedrag, de looptijd tot eind 2031, de reële waarde van − € 45.000 en haar afdekkingsbeleid. Als kleine rechtspersoon hoeft zij de marktwaarde niet te noemen; als micro-onderneming geeft zij geen toelichting en is reële waarde voor haar geen optie.

Vervolg in 2027. Veldzicht lost op 1 januari 2027 € 500.000 extra af; de swap blijft € 2.000.000. Een kwart van de swap dekt dan niets meer af. Voor dat deel vervalt de kostprijshedge en geldt kostprijs of lagere reële waarde. Is de reële waarde eind 2027 − € 40.000, dan neemt Veldzicht 25% daarvan, € 10.000, als last; de rest blijft in de afdekkingsrelatie buiten de balans.

Veelgemaakte fouten

  • Een renteswap tegen kostprijs houden zonder vastgelegde afdekkingsrelatie, en dan de negatieve marktwaarde niet als last nemen.
  • De documentatie van de afdekking pas achteraf maken.
  • Bij een extra aflossing vergeten dat een deel van de swap niet meer als afdekking telt.
  • Als middelgrote rechtspersoon de marktwaarde van de swap niet vermelden, omdat de bank die laat opgeven.
  • Als micro-onderneming een derivaat of belegging tegen marktwaarde waarderen.

Zo werkt het bij Jaarrekening.io

In de toelichtingsvragen van Jaarrekening.io krijgt een middelgrote of grote rechtspersoon de vraag of er derivaten zijn die niet tegen reële waarde staan, zoals een renteswap of valutatermijncontract, met de aard en omvang per categorie, de reële waarde (of de reden waarom die niet te bepalen is), de grondslag en de boekwaarde. Een kleine rechtspersoon krijgt die vraag niet, omdat de wet haar daarvan vrijstelt. Leningen met een afsluitprovisie rekent de Boekhouding door met de effectieve rente.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Moet ik de renteswap van mijn bank op de balans zetten?

Niet als u kostprijshedge-accounting toepast: de swap staat dan tegen kostprijs, meestal nihil, en de afrekeningen corrigeren de rente op de lening (RJ 290.633). Dat vraagt vooraf vastgelegde afdekking en een toets op ineffectiviteit. Waardeert u de swap tegen kostprijs zonder hedge-accounting, dan neemt u een negatieve marktwaarde als verplichting en last (RJ 290.541).

Wat is kostprijshedge-accounting?

Een model uit RJ 290 waarbij het afdekkende derivaat net als de afgedekte post tegen kostprijs staat, zodat de resultaten van beide tegelijk in de winst-en-verliesrekening komen (RJ 290.618 en 633). Voorwaarden zijn vastgelegde documentatie, een derivaat met een externe partij en een toets op ineffectiviteit op elke balansdatum; cumulatief verlies door ineffectiviteit neemt u als last (RJ 290.634 en 635).

Moet een kleine BV de marktwaarde van een renteswap vermelden?

Wettelijk niet: art. 2:396 lid 5 BW stelt kleine rechtspersonen vrij van art. 2:381b onder a, dat de actuele waarde van derivaten vraagt. Middelgrote en grote rechtspersonen moeten die waarde wel vermelden, met de aard en omvang van de instrumenten. Een micro-onderneming geeft geen toelichting. Waardeert een kleine BV de swap tegen reële waarde, dan gelden de vermeldingen van art. 2:381a BW.

Wat verandert er in RJ 290 voor boekjaar 2027?

RJ 290 (aangepast 2026) staat uitdrukkelijk toe een evenredig deel van een derivaat als afdekkingsinstrument aan te wijzen en de kosten van afdekking uit te sluiten, zoals de tijdswaarde van opties en de termijnpunten bij valutatermijncontracten (RJ 290.608a, 641 en 642; RJ-Uiting 2026-4). Voor boekjaar 2025 en 2026 geldt de versie aangepast 2024.

Lees ook

Klaar voor uw jaarrekening?

Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.

Gratis starten