Richtlijnen (RJ)

RJ 600 tot en met 615: de financiële sector

Banken, verzekeraars, pensioenfondsen en beleggingsfondsen hebben eigen modellen en eigen hoofdstukken. Dit overzicht laat zien welk hoofdstuk voor wie geldt en waarom groottevrijstellingen daar meestal niet bestaan.

✓ RJ 600 tot en met 615 per boekjaar ✓ Geen jaarrekeningroute voor de financiële sector in de app

Het korte antwoord

Vijf hoofdstukken dekken de financiële sector: RJ 600 banken, RJ 605 verzekeraars (ook de onderlinge waarborgmaatschappij), RJ 610 pensioenfondsen, RJ 611 premiepensioeninstellingen en RJ 615 beleggingsentiteiten. Ze rusten op afdeling 14 en 15 van Titel 9, de Pensioenwet en de Wft. Banken, verzekeraars en beursgenoteerde rechtspersonen zijn organisaties van openbaar belang: groottevrijstellingen gelden voor hen niet.

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

BankenAfdeling 14 Titel 9 (art. 2:415-2:426 BW), modellen K, L en M; RJ 600
VerzekeraarsAfdeling 15 Titel 9 (art. 2:427 BW e.v.); RJ 605, ook voor de onderlinge waarborgmaatschappij
PensioenfondsenPensioenwet; RJ 610. Premiepensioeninstellingen: Wft en Pensioenwet; RJ 611
BeleggingsentiteitenTitel 9 met art. 2:401 BW en de Wft; RJ 615
Wijzigingen 2027RJ 600 en 605 (kasstromen van rente en dividend), RJ 611 (Wet toekomst pensioenen)

Vijf hoofdstukken in één oogopslag

HoofdstukVoor wieWettelijke basisVersie per jaareditie 2027
RJ 600 BankenKredietinstellingen met een vergunning; ook niet-banken in de consolidatie van een bankAfdeling 14 Titel 9; Besluit modellen jaarrekening, model K (balans) en L of M (resultaat)Aangepast 2026, van kracht vanaf 2027
RJ 605 VerzekeringsmaatschappijenVerzekeraars als NV of onderlinge waarborgmaatschappij, en verzekeringsgroepenAfdeling 15 Titel 9; Besluit modellen jaarrekening en Besluit actuele waardeAangepast 2026, van kracht vanaf 2027
RJ 610 PensioenfondsenAlle pensioenfondsen, ook onder de Wet verplichte beroepspensioenregelingPensioenwet, met Titel 9 als basisAangepast 2025, van kracht vanaf 2026
RJ 611 PremiepensioeninstellingenPPI's die premieregelingen uitvoeren zonder zelf risico te dragenWft en PensioenwetAangepast 2026, van kracht vanaf 2027
RJ 615 BeleggingsentiteitenCollectieve beleggers met een Titel 9-rechtsvorm, met een Wft-vergunning of met een vergunninghoudende beheerderTitel 9, art. 2:401 BW, Wft art. 4:37o, 4:51 en 4:52Aangepast 2023, van kracht vanaf 2024

Ook betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen vallen ongeacht hun rechtsvorm onder Titel 9 (art. 2:360 lid 1 BW), met de eisen van de Wft; zij hebben geen eigen RJ-hoofdstuk in deze reeks.

Banken en verzekeraars: eigen afdelingen in Titel 9

Voor een bank vervangen afdeling 14 en de modellen K, L en M de gewone balans- en resultaatvoorschriften. Afdelingen 3 en 4 gelden niet, op een rij genoemde artikelen na, en afdeling 11 met de groottevrijstellingen evenmin (art. 2:416 BW; RJ 600.104 tot en met 600.106). Een bank die IFRS toepast, valt onder RJ 105; doet zij dat niet, dan volgt zij afdeling 14 met RJ 600.

Een verzekeraar volgt afdeling 15. RJ 605 behandelt beleggingen, technische voorzieningen, winstdelingen en een risicoparagraaf, en heeft aandacht voor zorgverzekeraars, die als schadeverzekeraar ook de Zorgverzekeringswet volgen (RJ 605.103). De onderlinge waarborgmaatschappij is een verzekeraar en valt dus onder RJ 605, niet onder het hoofdstuk voor coöperaties (RJ 620.101). Een rechtspersoon die verzekert maar buiten het prudentieel toezicht valt, mag de verzekeraarsregels toepassen als dat het inzicht dient (art. 2:427 lid 2 BW).

7. De artikelen 395a tot en met 397 zijn niet van toepassing op rechtspersonen die als organisatie van openbaar belang:

a. effecten hebben die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat (...);

b. kredietinstellingen zijn in de zin van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2013/36/EU (...);

c. verzekeringsondernemingen zijn in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/674/EEG (...); of

d. bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen wegens hun omvang of functie in het maatschappelijk verkeer.

art. 2:398 lid 7 BW (ingekort; de weggelaten delen zijn verwijzingen naar het Publicatieblad)

Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen

Volgens de Pensioenwet moet de jaarrekening van een pensioenfonds aan Titel 9 voldoen, zonder de vrijstellingen voor kleine en middelgrote rechtspersonen en zonder herwaarderingsreserve (RJ 610.103). Beleggingen en technische voorzieningen staan op reële waarde. Sinds de Wet toekomst pensioenen kent RJ 610 eigen termen voor de jaarrekening: een solidariteitsreserve heet solidariteitsfonds, een risicodelingsreserve risicodelingsfonds en beide zijn bestemmingsfondsen; het overzetten van oude rechten (invaren) is een interne collectieve waardeoverdracht via de staat van baten en lasten.

Een premiepensioeninstelling voert premieregelingen uit en draagt zelf geen verzekerings- of beleggingsrisico. De beleggingen voor risico van deelnemers zijn daarom even groot als de verplichtingen daartegenover (RJ 611.102b). Voert een PPI ook solidaire premieregelingen uit, dan gelden daarvoor de regels van RJ 610 naar analogie.

Beleggingsentiteiten en het verschil met een holding

RJ 615 gaat over collectieve belegging: beleggen voor meer dan één deelnemer, waarbij groepsmaatschappijen en verbonden partijen niet als aparte deelnemers tellen. Het hoofdstuk geldt verplicht voor een beleggingsentiteit met een Titel 9-rechtsvorm, met een vergunning onder de Wft of met een beheerder die zo'n vergunning heeft; voor andere beleggingsentiteiten wordt het aanbevolen (RJ 615.101). Een beleggingsmaatschappij mag haar beleggingen op marktwaarde zetten en koersverschillen via de reserves laten lopen (art. 2:401 lid 2 BW); de RJ beveelt aan ze door de winst-en-verliesrekening te laten gaan, met een herwaarderingsreserve voor stijgingen zonder frequente marktnotering.

Voor een beleggingsmaatschappij waarop art. 2:401 lid 1 BW van toepassing is, gelden de micro-, klein- en middelgrootregimes niet (art. 2:398 lid 3 BW). Een persoonlijke holding die het vermogen van één dga belegt, is geen collectieve belegging. Zij volgt de gewone regels en de grootteklasse die bij haar cijfers past; RJ 615 is dan hooguit richtinggevend.

Casus: Gracht Woningbelegging BV en Holding Van Wijk BV

Gracht Woningbelegging BV (fictief) verzamelde geld bij veertig particuliere beleggers en kocht in 2024 24 appartementen voor € 8.100.000. De beleggers delen in huur en waardegroei. Dat is collectieve belegging met een Titel 9-rechtsvorm: RJ 615 is van toepassing.

Gracht Woningbelegging BV31 december 202531 december 2026
Kostprijs portefeuille€ 8.100.000€ 8.100.000
Reële waarde portefeuille€ 9.200.000€ 9.600.000
Ongerealiseerde waardestijging in de winst-en-verliesrekening (aanbevolen route)€ 400.000
Herwaarderingsreserve vóór latente belasting€ 1.100.000€ 1.500.000

Omdat appartementen geen frequente marktnotering hebben, houdt Gracht een herwaarderingsreserve aan ter grootte van de ongerealiseerde stijging, ook al loopt die stijging door de winst-en-verliesrekening (art. 2:390 lid 1 BW). Valt de BV onder het gedragstoezicht van de Wft, zodat art. 2:401 lid 1 BW geldt, dan kan zij geen groottevrijstellingen gebruiken.

Holding Van Wijk BV (fictief) belegt € 700.000 in indexfondsen voor haar enige aandeelhouder. Er is één deelnemer, dus geen collectieve belegging. Met minder dan € 900.000 omzet en geen personeel is zij micro, en daarmee mag zij haar beleggingen niet op marktwaarde zetten (art. 5a Besluit actuele waarde): ze staan op kostprijs, of lager als de koers daaronder ligt. Zie RJ 120 en 135 en de jaarrekening van een holding.

Wijzigingen per hoofdstuk en boekjaar

  • Boekjaar 2025: RJ 600 en 605 in de versie van 2019, RJ 610 met de aanpassingen voor de Wet toekomst pensioenen (RJ-Uiting 2024-16), RJ 611 versie 2021, RJ 615 versie 2023.
  • Boekjaar 2026: RJ 610 aangevuld voor het spreiden van mee- en tegenvallers in een solidaire premieregeling over ten hoogste tien jaar (RJ-Uiting 2025-8).
  • Boekjaar 2027: RJ 600 en 605 aangepast na IFRS 18: banken en verzekeraars mogen ontvangen en betaalde rente en ontvangen dividend onder de operationele kasstromen tonen als dat bij hun bedrijf hoort (RJ-Uiting 2026-6). RJ 611 aangepast aan de Wet toekomst pensioenen (RJ-Uiting 2026-1).

Banken, fondsen en Jaarrekening.io

Bij het aanmaken van een rechtspersoon vraagt Jaarrekening.io of er een eigen verslaggevingsregime geldt. Wie bank, verzekeraar, pensioenfonds, premiepensioeninstelling, beleggingsinstelling of collectieve belegger kiest, komt niet op de jaarrekeningroute; een onderlinge waarborgmaatschappij kunt u niet aanmaken. Een persoonlijke holding die alleen eigen geld belegt, is geen beleggingsentiteit en volgt de gewone route.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Welk RJ-hoofdstuk geldt voor een onderlinge waarborgmaatschappij?

RJ 605 Verzekeringsmaatschappijen. De onderlinge waarborgmaatschappij sluit verzekeringen met haar leden en volgt als verzekeraar afdeling 15 van Titel 9, niet het hoofdstuk voor coöperaties (RJ 620.101).

Is mijn beleggingsholding een beleggingsentiteit in de zin van RJ 615?

Niet als zij alleen voor één aandeelhouder of voor groepsmaatschappijen belegt. RJ 615 gaat over collectieve belegging voor meer dan één deelnemer. Voor andere beleggingsvormen is het hoofdstuk hooguit richtinggevend (RJ 615.101).

Mag een kleine bank de vrijstellingen voor kleine rechtspersonen gebruiken?

Nee. Een kredietinstelling is een organisatie van openbaar belang; de artikelen 2:395a tot en met 2:397 BW gelden niet (art. 2:398 lid 7 BW). Afdeling 11 hoort ook niet bij de afdelingen die art. 2:416 BW voor banken van toepassing verklaart.

Gelden groottevrijstellingen voor een pensioenfonds?

Nee. De Pensioenwet schrijft voor dat de jaarrekening aan Titel 9 voldoet zonder de vrijstellingen voor kleine en middelgrote rechtspersonen, en zonder herwaarderingsreserve (RJ 610.103).

Wat verandert er in 2027 voor de kasstromen van banken en verzekeraars?

Na IFRS 18 heeft de RJ de keuzes voor rente en dividend in het kasstroomoverzicht ingeperkt. Voor banken en verzekeraars, voor wie beleggen en financieren de gewone bedrijfsvoering is, mogen ontvangen en betaalde rente en ontvangen dividend onder de operationele kasstromen (RJ-Uiting 2026-6; RJ 600 en 605).

Lees ook

Een holding of werkmaatschappij?

Voor een BV, NV of coöperatie zonder eigen sectorregime is de jaarrekeningroute van Jaarrekening.io gemaakt. Een account maakt u zelf aan.

Gratis starten