Wet: Titel 9 Boek 2 BW

Artikel 2:375 BW: schulden, looptijden en zekerheden

Artikel 2:375 BW gaat over de schulden: hoe u ze indeelt en wat de lezer moet weten over looptijd, rente, zekerheden en rangorde.

✓ Eerste jaarrekening gratis ✓ Micro tot grote rechtspersoon ✓ Publicatieversie per grootteklasse ✓ Primaire database in de EU · verwerkersovereenkomst

Het korte antwoord

Artikel 2:375 BW verdeelt de schulden in tien groepen, van obligatieleningen tot overige schulden. Per groep noemt u het deel met een looptijd boven een jaar en de rente, voor het totaal het deel boven vijf jaar. Verder vermeldt u zekerheden, achterstelling, de aflossing van volgend jaar en de voorwaarden van converteerbare leningen. Klein vermeldt alleen totalen en zekerheden.

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

PlaatsAfdeling 3, § 3 (Passiva)
Huidige tekst sinds1 november 2015 (Stb. 2015, 349)
BoekjarenSinds 2015 dezelfde wettekst; de versie van RJ 254 uit 2025 geldt vanaf boekjaar 2026
UitwerkingRJ 254 (middelgroot en groot), RJk B9 (micro en klein)

Lid 1: tien groepen schulden

1. Onder de schulden worden afzonderlijk opgenomen:

a. obligatieleningen, pandbrieven en andere leningen met afzonderlijke vermelding van de converteerbare leningen;

b. schulden aan banken;

c. ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen voor zover niet reeds op actiefposten in mindering gebracht;

d. schulden aan leveranciers en handelskredieten;

e. te betalen wissels en cheques;

f. schulden aan groepsmaatschappijen;

g. schulden aan rechtspersonen en vennootschappen die een deelneming hebben in de rechtspersoon of waarin de rechtspersoon een deelneming heeft, voor zover niet reeds onder f vermeld;

h. schulden ter zake van belastingen en premiën van sociale verzekering;

i. schulden ter zake van pensioenen;

j. overige schulden.

Art. 2:375 lid 1 BW

Wat betekent dit

Op de balans staan de schulden eerst gesplitst in langlopend en kortlopend: kortlopend is wat binnen twaalf maanden opeisbaar is, ook een schuld zonder vaste termijn (RJ 254.303; RJk B9.104). Binnen elk van die twee volgen de groepen van lid 1. Een lening van de aandeelhouder valt onder a of g, een schuld aan de werkmaatschappij onder f, de af te dragen btw en loonheffing onder h. Een creditsaldo van de directeur-grootaandeelhouder in rekening-courant is een schuld, geen eigen vermogen.

Lid 2: looptijd en rente

2. Bij elke in lid 1 vermelde groep van schulden wordt aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd langer is dan een jaar, met aanduiding van de rentevoet daarover. Voor het totaal van de in lid 1 vermelde schulden wordt aangegeven tot welk bedrag de resterende looptijd langer is dan vijf jaar.

Art. 2:375 lid 2 BW

Wat betekent dit

De lezer wil weten wanneer het geld terug moet en wat het kost. Per groep noemt u het deel dat na meer dan een jaar vervalt en de rente daarover, en voor alle schulden samen het deel na vijf jaar. Bij een variabele rente noemt u de referentierente en de opslag. Een kleine rechtspersoon noemt alleen voor het totaal het deel boven een en boven vijf jaar, zonder rente (art. 2:396 lid 3 BW; RJk B9.105). Een microrechtspersoon splitst het totaal in tot en met een jaar en langer dan een jaar (art. 2:395a lid 4 BW).

Lid 3 en 4: zekerheden en achterstelling

3. Voor het totaal van de in lid 1 genoemde groepen, wordt aangegeven voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld en in welke vorm dat is geschied. Voorts wordt medegedeeld ten aanzien van welke schulden de rechtspersoon zich, al dan niet voorwaardelijk, heeft verbonden tot het bezwaren of niet bezwaren van goederen, voor zover dat noodzakelijk is voor het verschaffen van het in artikel 362 lid 1 bedoelde inzicht.

4. Aangegeven wordt tot welk bedrag schulden in rang zijn achtergesteld bij de andere schulden; de aard van deze achterstelling wordt toegelicht.

Art. 2:375 lid 3 en 4 BW

Wat betekent dit

Lid 3 vraagt welke schulden gedekt zijn door een hypotheek, pandrecht of andere zakelijke zekerheid, en in welke vorm. Ook een positieve of negatieve hypotheekverklaring noemt u als dat voor het inzicht nodig is. Dit lid geldt ook voor klein, en klein maakt het openbaar. Lid 4 gaat over achtergestelde schulden: het bedrag en de aard van de achterstelling. Achtergesteld presenteren mag alleen als de schuld bij alle andere schulden is achtergesteld, niet alleen bij de bank (RJ 254.309 en 254.405; RJk B9.207).

Lid 5 tot en met 7: disagio, aflossing en conversie

5. Is het bedrag waarmee de schuld moet worden afgelost hoger dan het ontvangen bedrag, dan mag het verschil, mits afzonderlijk vermeld, uiterlijk tot de aflossing worden geactiveerd.

6. Het bedrag wordt vermeld dat de rechtspersoon op leningen die zijn opgenomen onder de schulden met een resterende looptijd van meer dan een jaar, moet aflossen tijdens het boekjaar, volgend op dat waarop de jaarrekening betrekking heeft.

7. Bij converteerbare leningen worden de voorwaarden van conversie medegedeeld.

Art. 2:375 lid 5 tot en met 7 BW

Wat betekent dit

Lid 5 gaat over een lening die u voor minder ontvangt dan u terugbetaalt (disagio). De wet staat toe het verschil te activeren en af te schrijven (art. 2:386 lid 5 BW); de RJ werkt met de geamortiseerde kostprijs, waarbij het verschil via de effectieve rente over de looptijd in de resultaten komt (RJ 254.201 en 254.202).

Lid 6: laat u de aflossing van volgend jaar onder de langlopende schulden staan, dan noemt u dat bedrag. De RJ raadt aan dat deel naar de kortlopende schulden over te brengen (RJ 254.308). Lid 7: bij een converteerbare lening noemt u wie mag omzetten, tegen welke prijs en in welke periode.

Een bijzonder geval zijn bankconvenanten. Haalt u op balansdatum een voorwaarde niet en mag de bank daardoor de lening direct opeisen, dan is de hele lening in beginsel kortlopend. Dat is anders als de bank vóór of op de balansdatum heeft afgezien van opeisen, of een herstelperiode heeft toegestaan die tot ten minste twaalf maanden na de balansdatum loopt. Komt zo'n afspraak pas na de balansdatum maar vóór het opmaken tot stand, dan mag de lening langlopend blijven, mits u dat toelicht (RJ 254.307; RJk B9.206). In de RJk-editie voor 2025 gold die laatste mogelijkheid alleen voor een herstelperiode.

Casus: banklening, achtergestelde lening en een convenant

Ommeland Logistiek BV (fictief, middelgroot) heeft op 31 december 2025 een banklening van € 1.200.000 tegen 4,1% vast, met een hypotheek op het distributiecentrum. Zij lost € 150.000 per jaar af; de laatste termijn valt in 2033. De aandeelhouder leende € 300.000 tegen 6%, achtergesteld bij alle andere schuldeisers en niet aflosbaar vóór 2031. Verder zijn er crediteuren (€ 380.000), af te dragen belastingen en premies (€ 95.000) en overige schulden (€ 60.000).

Schulden 31-12-2025LanglopendKortlopendWaarvan na 5 jaar
Achtergestelde lening aandeelhouder (6%)€ 300.000–€ 300.000
Schulden aan banken (4,1%)€ 1.050.000€ 150.000€ 450.000
Schulden aan leveranciers–€ 380.000–
Belastingen en premies sociale verzekering–€ 95.000–
Overige schulden–€ 60.000–
Totaal€ 1.350.000€ 685.000€ 750.000

De banklening: vijf aflossingen van € 150.000 in 2026 tot en met 2030 brengen haar op € 450.000; dat deel loopt langer dan vijf jaar. De aflossing van 2026 staat bij de kortlopende schulden, dus lid 6 vraagt geen extra vermelding. In de toelichting staan verder de hypotheek als zekerheid (lid 3) en de aard van de achterstelling (lid 4).

Stel dat de bank een solvabiliteit van minstens 25% eist en Ommeland op 31 december 2025 op 22% uitkomt. Gaf de bank al op 20 december schriftelijk ontheffing, dan blijft de indeling zoals in de tabel. Komt de ontheffing op 15 januari 2026 en maakt Ommeland de jaarrekening op 20 maart op, dan mag de lening langlopend blijven, met een toelichting op die keuze. Weigert de bank, dan is de hele lening van € 1.200.000 kortlopend en daalt het werkkapitaal met € 1.050.000.

Als kleine rechtspersoon had Ommeland volstaan met: schulden langer dan een jaar € 1.350.000, waarvan € 750.000 langer dan vijf jaar, en de hypotheek; geen rentevoeten en geen vermelding van de achterstelling. Als micro: schulden € 2.035.000, waarvan € 685.000 binnen een jaar en € 1.350.000 daarna.

Per grootteklasse

KlasseWat geldt
MicroEén post schulden, gesplitst in tot en met een jaar en langer dan een jaar (art. 2:395a lid 4 BW).
KleinTotaal langer dan een jaar en langer dan vijf jaar zonder rentevoet, en de zekerheden van lid 3 (art. 2:396 lid 3 BW). Lid 1, 4, 6 en 7 horen niet bij de verplichte opgaven.
MiddelgrootHet hele artikel in de opgemaakte jaarrekening. Openbaar: obligaties en leningen, banken, groep en deelnemingen apart, met de looptijden en de zekerheden (art. 2:397 lid 5 BW).
GrootHet hele artikel, ook in de openbaar gemaakte stukken. Voor middelgroot en groot werkt RJ 254.4 de toelichting uit.

Veelgemaakte fouten

  • De aflossing van volgend jaar onder de langlopende schulden laten staan zonder het bedrag te noemen.
  • Een lening als achtergesteld presenteren terwijl zij alleen bij de bank is achtergesteld.
  • Een geschonden convenant negeren. Zonder ontheffing of herstelperiode vóór het opmaken is de lening kortlopend, en een ontheffing na balansdatum vraagt een toelichting.
  • Een rekening-courant met de aandeelhouder zonder aflossingsafspraak als langlopend tonen; zonder vaste termijn is zij kortlopend.
  • De hypotheek of het pandrecht van de bank niet vermelden; ook klein moet dat doen.

Zo werkt het bij Jaarrekening.io

Het looptijdoverzicht van de schulden in Jaarrekening.io volgt de tien groepen van lid 1, voor de lang- en de kortlopende schulden, en sluit aan op de balans. Voor middelgroot en groot vraagt de app per lid door: rentevoet, aflossing van volgend jaar, achterstelling, conversievoorwaarden, bezwaringsverklaringen en zekerheden. Voor klein vraagt zij onder meer het totaal boven vijf jaar en de zekerheden.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Welke looptijden van schulden moet ik vermelden?

Middelgrote en grote rechtspersonen noemen per groep schulden het deel met een resterende looptijd langer dan een jaar, met de rentevoet, en voor het totaal het deel langer dan vijf jaar (art. 2:375 lid 2 BW). Een kleine rechtspersoon noemt alleen voor het totaal het deel boven een en boven vijf jaar, zonder rente. Een microrechtspersoon splitst het totaal in binnen en na een jaar.

Hoort de aflossing van volgend jaar bij de kortlopende schulden?

Dat raadt de RJ aan (RJ 254.308). Laat u haar bij de langlopende schulden staan, dan moet u het bedrag in de toelichting noemen (art. 2:375 lid 6 BW).

Wanneer is een lening achtergesteld?

Als de schuldeiser pas wordt betaald nadat alle andere schuldeisers zijn voldaan. Presenteren als achtergestelde schuld mag volgens de RJ alleen als de achterstelling geldt tegenover alle andere schulden, niet alleen tegenover de bank. Middelgrote en grote rechtspersonen vermelden het bedrag en de aard van de achterstelling (art. 2:375 lid 4 BW).

Wat gebeurt er als ik een bankconvenant niet haal?

Kan de bank de lening daardoor op balansdatum direct opeisen, dan is de hele lening in beginsel kortlopend. Zij blijft langlopend als de bank uiterlijk op balansdatum afstand deed van opeisen of een herstelperiode gaf die tot ten minste twaalf maanden na balansdatum loopt. Wordt zo'n afspraak pas na balansdatum maar vóór het opmaken gemaakt, dan mag de lening langlopend blijven als u dat toelicht (RJ 254.307, RJk B9.206).

Moet een kleine BV zekerheden voor schulden vermelden?

Ja. Art. 2:375 lid 3 BW geldt ook voor de kleine rechtspersoon: zij vermeldt voor welke schulden zakelijke zekerheid is gesteld, zoals een hypotheek of pandrecht, en in welke vorm. Die toelichting maakt zij ook openbaar.

Lees ook

Klaar voor uw jaarrekening?

Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.

Gratis starten