Wet: Boek 2 BW

Artikel 2:216 BW: uitkeren uit een BV met balanstest en uitkeringstoets

Een BV mag uitkeren voor zover haar eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves: de balanstest van lid 1. Het besluit werkt pas na goedkeuring van het bestuur, dat moet weigeren als het weet of moet voorzien dat de BV daarna haar opeisbare schulden niet kan blijven betalen (lid 2). Wie dat negeert, kan aansprakelijk zijn (lid 3).

✓ Eerste jaarrekening gratis ✓ Micro tot grote rechtspersoon ✓ Publicatieversie per grootteklasse ✓ Primaire database in de EU · verwerkersovereenkomst

Het korte antwoord

Een BV mag uitkeren voor zover haar eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves: de balanstest van lid 1. Het besluit werkt pas na goedkeuring van het bestuur, dat moet weigeren als het weet of moet voorzien dat de BV daarna haar opeisbare schulden niet kan blijven betalen (lid 2). Wie dat negeert, kan aansprakelijk zijn (lid 3).

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

WettekstArt. 2:216 lid 1–11 BW, tekst geldend vanaf 1 juli 2026; de balans- en uitkeringstoets gelden sinds 1 oktober 2012, laatste wijziging per 1 januari 2015
Voor wieElke BV, van micro tot groot; voor de NV geldt art. 2:105 BW, waar ook het gestorte en opgevraagde kapitaal beschermd is
Beschermd vermogenWettelijke reserves (art. 2:373 lid 4 BW) en statutaire reserves; het geplaatst kapitaal van een BV niet
RichtlijnenRJ 240 en RJk B8 (eigen vermogen en wettelijke reserves); RJ 160 voor dividend na de balansdatum

Lid 1: de balanstest

1. De algemene vergadering is bevoegd tot bestemming van de winst die door de vaststelling van de jaarrekening is bepaald en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. De statuten kunnen de bevoegdheden, bedoeld in de eerste zin, beperken of toekennen aan een ander orgaan.

art. 2:216 lid 1 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

De algemene vergadering beslist over de winst en over andere uitkeringen, zoals een uitkering uit de reserves of een tussentijds dividend. Zij mag dat alleen voor het deel van het eigen vermogen boven de gebonden reserves. Gebonden zijn de wettelijke reserves, bijvoorbeeld voor geactiveerde ontwikkelingskosten (art. 2:365 lid 2 BW), voor ingehouden winst van deelnemingen (art. 2:389 lid 6 BW) en herwaarderingen (art. 2:390 BW), plus de reserves die de statuten voorschrijven. Het geplaatst kapitaal en de agio van een BV zijn niet beschermd; bij de NV is het gestorte en opgevraagde kapitaal wel beschermd (art. 2:105 lid 2 BW).

Een vastgestelde jaarrekening is voor een uitkering niet vereist, tenzij de statuten dat vragen. De toets geldt voor de stand op het moment van de uitkering. Een holding met deelnemingen tegen nettovermogenswaarde let op de wettelijke reserve deelnemingen: winst die de deelneming niet zonder beperking kan uitkeren, blijft gebonden. Volgens RJ 240.228 en RJk B8.113a kan zo’n beperking ook voortkomen uit de uitkeringstoets bij de deelneming zelf.

Lid 2: de uitkeringstoets door het bestuur

2. Een besluit dat strekt tot uitkering heeft geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Het bestuur weigert slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.

art. 2:216 lid 2 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Het besluit van de vergadering werkt pas als het bestuur het goedkeurt. Het bestuur toetst één ding: kan de BV na de uitkering haar opeisbare schulden blijven betalen? De wet noemt geen periode. Een liquiditeitsprognose over ten minste het komende jaar is een verdedigbaar uitgangspunt, met aandacht voor grote betalingen die net daarna vallen, zoals een aflossing of een belastingaanslag. Leg de prognose en het besluit vast; dat is later het bewijs dat het bestuur zorgvuldig was.

Lid 3 en 4: aansprakelijkheid van bestuurders en ontvangers

3. Indien de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering. Artikel 248 lid 5 is van overeenkomstige toepassing. Niet verbonden is de bestuurder die bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de vennootschap de uitkering heeft gedaan en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Degene die de uitkering ontving terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden is gehouden tot vergoeding van het tekort dat door de uitkering is ontstaan, ieder voor ten hoogste het bedrag of de waarde van de door hem ontvangen uitkering, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering. Indien de bestuurders de vordering uit hoofde van de eerste zin hebben voldaan, geschiedt de in de vierde zin bedoelde vergoeding aan de bestuurders, naar evenredigheid van het gedeelte dat door ieder der bestuurders is voldaan. Ten aanzien van een schuld uit hoofde van de eerste of de vierde zin is de schuldenaar niet bevoegd tot verrekening.

4. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van lid 3 gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De vordering kan niet worden ingesteld tegen de door de rechter benoemde bewindvoerder.

art. 2:216 lid 3 en 4 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

De aansprakelijkheid is gericht tegenover de BV; bij faillissement stelt de curator de vordering in. Zij is begrensd tot het tekort dat door de uitkering is ontstaan, en dus nooit hoger dan het uitgekeerde bedrag, plus wettelijke rente. Een bestuurder ontloopt haar alleen als hij bewijst dat de uitkering hem niet te verwijten is en dat hij heeft geprobeerd de gevolgen te voorkomen. Ook de aandeelhouder die wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de BV haar schulden niet meer zou kunnen betalen, betaalt terug, tot het bedrag dat hij ontving. Wie zonder formele benoeming feitelijk de lakens uitdeelt, wordt behandeld als bestuurder (lid 4).

Lid 5 tot en met 11: rekenregels en ruimte voor de statuten

5. Bij de berekening van iedere uitkering tellen de aandelen die de vennootschap in haar kapitaal houdt, niet mede, tenzij bij de statuten anders is bepaald.

6. Bij de berekening van het bedrag, dat op ieder aandeel zal worden uitgekeerd, komt slechts het bedrag van de verplichte stortingen op het nominale bedrag van de aandelen in aanmerking. Van de vorige zin kan in de statuten of telkens met instemming van alle aandeelhouders worden afgeweken.

7. Bij de statuten kan worden bepaald dat aandelen van een bepaalde soort of aanduiding geen of slechts beperkt recht geven tot deling in de winst of reserves van de vennootschap.

8. Voor een statutaire regeling als bedoeld in lid 6 of lid 7 is de instemming vereist van alle houders van aandelen aan wier rechten de statutenwijziging afbreuk doet.

9. De statuten kunnen bepalen dat de vordering van een aandeelhouder niet door verloop van vijf jaren verjaart, doch eerst na een langere termijn vervalt. Een zodanige bepaling is alsdan van overeenkomstige toepassing op de vordering van de houder van een certificaat van een aandeel op de aandeelhouder.

10. De statuten kunnen bepalen dat de winst waartoe houders van aandelen van een bepaalde soort gerechtigd zijn, geheel of gedeeltelijk te hunnen behoeve wordt gereserveerd.

11. Lid 3 is niet van toepassing op uitkeringen in de vorm van aandelen in het kapitaal van de vennootschap of bijschrijvingen op niet volgestorte aandelen.

art. 2:216 lid 5–11 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Eigen aandelen delen niet mee (lid 5). De verdeling volgt het verplicht gestorte nominale bedrag, tenzij de statuten of alle aandeelhouders anders kiezen (lid 6). De statuten kunnen aandelen zonder of met beperkt winstrecht toelaten (lid 7) en winst per soort aandeel reserveren (lid 10). Een stockdividend of een bijschrijving op niet volgestorte aandelen haalt geen geld uit de BV; daarom geldt lid 3 daar niet (lid 11).

Hoe de grootteklasse de balanstest raakt

Artikel 2:216 geldt voor elke BV op dezelfde manier. Verschillend is hoeveel van het eigen vermogen op de balans zichtbaar is, en dus hoeveel u naast de jaarrekening moet bijhouden. Grenzen voor boekjaren vanaf 1 januari 2024:

KlasseEigen vermogen in de jaarrekeningGevolg voor de toets
Micro (balanstotaal ≤ € 450.000, netto-omzet ≤ € 900.000, < 10 werknemers)Eén bedrag (art. 2:395a lid 4 BW)Houd de wettelijke en statutaire reserves in uw eigen administratie bij; de balans toont ze niet
Klein (balanstotaal ≤ € 7,5 mln, netto-omzet ≤ € 15 mln, < 50 werknemers)De posten van art. 2:373 BW afzonderlijk (art. 2:396 lid 3 BW)De gebonden reserves staan op de balans. Bij fiscale grondslagen ontstaat geen herwaarderingsreserve
Middelgroot (balanstotaal ≤ € 25 mln, netto-omzet ≤ € 50 mln, < 250 werknemers)Volledig uitgesplitst, met mutatieoverzicht (art. 2:378 BW)Idem, met RJ 240
Groot (balanstotaal > € 25 mln, netto-omzet > € 50 mln, ≥ 250 werknemers)Als middelgrootIdem

Boekjaren 2025, 2026 en 2027 en de richtlijn eigen vermogen

De tekst van artikel 2:216 is voor deze boekjaren gelijk; er is geen wijziging aangekondigd. Wat wel verandert, is RJ 240: de RJ heeft het hoofdstuk eigen vermogen herzien voor verslagjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen. Voor 2025 en 2026 geldt de vorige versie. De wettelijke reserves zelf komen uit de wet en veranderen daardoor niet.

Casus: een technisch bedrijf wil € 300.000 uitkeren

Brouwer Techniek BV heeft per 31 december 2025 een eigen vermogen van € 540.000:

PostBedragGebonden?
Geplaatst kapitaal€ 100Nee (BV)
Agio€ 49.900Nee
Wettelijke reserve ontwikkelingskosten€ 60.000Ja
Statutaire reserve€ 25.000Ja
Overige reserves€ 310.000Nee
Resultaat 2025€ 95.000Nee
Totaal eigen vermogen€ 540.000gebonden € 85.000

Balanstest. Op 31 december 2025 is de ruimte € 540.000 − € 85.000 = € 455.000. De cijfers per 30 juni 2026 tonen € 40.000 extra winst en geen nieuwe gebonden reserves, dus op het moment van uitkeren is de ruimte € 495.000. Een uitkering van € 300.000 past.

Uitkeringstoets. Het bestuur maakt een prognose vanaf 1 juli 2026, met € 380.000 op de bank:

KwartaalOntvangstenUitgavenBanksaldo zonder dividend
Q3 2026€ 90.000€ 160.000 (waarvan vpb-aanslag 2025 € 70.000)€ 310.000
Q4 2026€ 110.000€ 80.000€ 340.000
Q1 2027€ 100.000€ 120.000 (waarvan aflossing € 40.000)€ 320.000
Q2 2027€ 120.000€ 70.000€ 370.000

Het laagste punt is € 310.000, eind september 2026. Na € 300.000 dividend blijft daar € 10.000 van over, terwijl één grote klant met € 60.000 openstaand bekendstaat als late betaler. Het bestuur houdt een buffer aan van € 80.000 en weigert goedkeuring voor € 300.000. De vergadering besluit daarop tot € 230.000; het laagste punt wordt € 80.000 en het bestuur keurt goed.

Had het bestuur de € 300.000 toch goedgekeurd en kon de BV in het derde kwartaal haar schulden niet meer betalen, dan waren de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk tegenover de BV voor het tekort dat de uitkering veroorzaakte, ten hoogste € 300.000 plus rente. Een aandeelhouder die de prognose kende, had zijn deel moeten terugbetalen.

Waar uitkeringen fout gaan

  • Alleen naar de balans kijken. De balanstest is de eerste stap; zonder uitkeringstoets en goedkeuring van het bestuur heeft het besluit geen gevolgen.
  • De wettelijke reserve voor geactiveerde ontwikkelingskosten of deelnemingen niet vormen, waardoor de ruimte te hoog lijkt.
  • Een micro-BV die alleen haar balans met één regel eigen vermogen ziet en daardoor gebonden reserves vergeet.
  • Geen prognose vastleggen, of alleen de stand op de balansdatum gebruiken terwijl de uitkering maanden later plaatsvindt.
  • Denken dat het kapitaal van de BV beschermd is, of juist dat een BV zonder kapitaalbescherming onbeperkt kan uitkeren.
  • Dividend dat na de balansdatum wordt besloten als schuld op de balans per balansdatum zetten; zie dividend na balansdatum en RJ 160.

Wat bij een uitkering verder speelt

Zo werkt het bij Jaarrekening.io

Op de pagina Balans & W&V toont Jaarrekening.io voor een NV, en voor een BV met wettelijke of statutaire reserves, de balanstest: het eigen vermogen, de wettelijke en statutaire reserves en de ruimte die overblijft, met een melding als de reserve voor geactiveerde kosten te laag is. De uitkeringstoets van lid 2 rekent de jaarrekening niet uit; dat is een oordeel van het bestuur. In de module Belastingen, die binnenkort beschikbaar is, komt een werkblad Uitkeringstoets dividend met concepten voor het besluit, de goedkeuring van het bestuur en de dividendnota.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Hoeveel dividend mag een BV uitkeren?

Ten hoogste het deel van het eigen vermogen dat boven de wettelijke en statutaire reserves uitkomt (art. 2:216 lid 1 BW), en alleen als het bestuur het besluit goedkeurt. Het bestuur weigert als het weet of redelijkerwijs moet voorzien dat de BV daarna haar opeisbare schulden niet kan blijven betalen (lid 2). Het kleinste van beide bedragen is dus de grens.

Wat is het verschil tussen de balanstest en de uitkeringstoets?

De balanstest (art. 2:216 lid 1 BW) kijkt naar het vermogen: uitkeren mag alleen boven de gebonden reserves. De uitkeringstoets (lid 2) kijkt naar de liquiditeit na de uitkering: kan de BV haar opeisbare schulden blijven betalen? De algemene vergadering neemt het besluit binnen de balanstest; het bestuur doet de uitkeringstoets en geeft goedkeuring.

Is een bestuurder aansprakelijk als de BV na een dividenduitkering haar schulden niet kan betalen?

Ja, als hij bij de uitkering wist of redelijkerwijs moest voorzien dat dit zou gebeuren. Dan is hij hoofdelijk aansprakelijk tegenover de BV voor het tekort dat de uitkering veroorzaakte, met wettelijke rente vanaf de uitkering (art. 2:216 lid 3 BW). Hij ontkomt daaraan alleen door te bewijzen dat het hem niet te verwijten is en dat hij niet nalatig was in het afwenden van de gevolgen.

Moet een aandeelhouder een te ruim dividend terugbetalen?

Als hij bij ontvangst wist of redelijkerwijs moest voorzien dat de BV daarna haar opeisbare schulden niet kon blijven betalen, ja: tot ten hoogste het bedrag dat hij ontving, met wettelijke rente (art. 2:216 lid 3 BW). Hebben de bestuurders het tekort al vergoed, dan betaalt hij aan hen terug. Verrekenen met een vordering op de BV mag niet.

Is het geplaatst kapitaal van een BV beschermd bij een uitkering?

Nee. De balanstest van een BV kijkt alleen naar de reserves die de wet of de statuten voorschrijven. Bij een NV ligt dat anders: daar is ook het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal beschermd (art. 2:105 lid 2 BW).

Is een vastgestelde jaarrekening nodig voor een tussentijdse uitkering?

De wet eist dat bij een BV niet; de statuten kunnen het wel eisen. De balanstest en de uitkeringstoets gelden voor de stand op het moment van de uitkering. Gebruik dus actuele cijfers en een liquiditeitsprognose, niet alleen de laatste jaarrekening.

Lees ook

Klaar voor uw jaarrekening?

Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.

Gratis starten