Richtlijnen (RJ)

RJ 120 en 135: prijsgrondslagen en resultaatbepaling

Elke post in de jaarrekening heeft een prijs en een moment. RJ 120 zegt welke prijzen er zijn, RJ 135 wanneer een bate of last in het resultaat komt.

✓ Eerste jaarrekening gratis ✓ Micro tot grote rechtspersoon ✓ Publicatieversie per grootteklasse ✓ Primaire database in de EU · verwerkersovereenkomst

Het korte antwoord

Titel 9 kent twee grondslagen: verkrijgings- of vervaardigingsprijs en actuele waarde (art. 2:384 lid 1 BW). RJ 120 omschrijft die prijzen, met actuele kostprijs, bedrijfswaarde, reële waarde en opbrengstwaarde. RJ 135 regelt het moment: baten en lasten in de periode waarop zij slaan, met voorzichtigheid en matching. Voor micro en klein staat hetzelfde in RJk A2.

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

Wetart. 2:362 lid 5, 2:384 en 2:388 BW; Besluit actuele waarde
RichtlijnenRJ 120 Prijsgrondslagen en RJ 135 Algemene grondslagen voor de bepaling van het resultaat (beide aangepast 2024, van kracht vanaf boekjaar 2025)
Micro en kleinRJk A2.2 (prijsgrondslagen) en A2.5 (resultaatbepaling)
MicroGeen waardering tegen marktwaarde (art. 5a Besluit actuele waarde)
ToelichtingGrondslagen per post (art. 2:384 lid 5 BW), niet voor micro

De twee grondslagen uit de wet

1. Bij de keuze van een grondslag voor de waardering van een actief en van een passief en voor de bepaling van het resultaat laat de rechtspersoon zich leiden door de voorschriften van artikel 362 leden 1-4. Als grondslag komen in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de actuele waarde.

2. Bij de toepassing van de grondslagen wordt voorzichtigheid betracht. Winsten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verplichtingen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden. Voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar kunnen in acht worden genomen indien zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.

art. 2:384 lid 1 en 2 BW

Het bestuur kiest per soort post de grondslag die het beste inzicht geeft en houdt die vast; wisselen mag alleen om gegronde redenen (art. 2:384 lid 6 BW; RJ 140). Goodwill kent alleen de verkrijgingsprijs.

De prijzen van RJ 120 naast elkaar

PrijsWat het isWaar u het tegenkomt
VerkrijgingsprijsInkoopprijs plus bijkomende kosten, zoals transport en installatie (art. 2:388 lid 1 BW)Gekochte machines en voorraden
VervaardigingsprijsMateriaal en directe kosten; een redelijk deel indirecte kosten en bouwrente mag erbij (art. 2:388 lid 2 BW)Zelf gebouwde activa en eigen productie
Actuele kostprijsWat het actief vandaag zou kosten, na afschrijvingMateriële vaste activa tegen actuele waarde
BedrijfswaardeContante waarde van de kasstromen die het actief in het bedrijf nog oplevert, inclusief de verkoop aan het eindDe toets op bijzondere waardevermindering
Reële waardePrijs tussen goed geïnformeerde, onafhankelijke partijen; het Besluit actuele waarde noemt dit marktwaardeEffecten, derivaten, vastgoedbeleggingen
OpbrengstwaardeHoogst haalbare verkoopprijs min de kosten die nog nodig zijn om te verkopenIncourante voorraad, activa die worden afgestoten
Nominale waardeHet bedrag uit de overeenkomstVorderingen en schulden
Contante waardeToekomstige ontvangsten of betalingen teruggerekend met een rentevoetLanglopende voorzieningen en vorderingen

Voor materiële en immateriële vaste activa die geen belegging zijn, geldt volgens het Besluit actuele waarde in beginsel de actuele kostprijs, de lagere bedrijfswaarde als die eronder ligt en de opbrengstwaarde als die daartussen zit (art. 7). Financiële instrumenten staan dan op marktwaarde (art. 10). Een waardestijging van zo'n vast actief gaat naar een herwaarderingsreserve (art. 2:390 lid 1 BW).

Actuele waarde toelichten

Wie een actief tegen actuele waarde opneemt, legt in de toelichting uit hoe die waarde tot stand kwam (art. 9 Besluit actuele waarde). RJ 120.403 maakt dat concreet: zeg of een taxateur de waarde bepaalde en of die intern of extern was, welke indices u gebruikte en of die zijn aangepast aan de technische ontwikkeling, en hoe oud de raming is bij actuele kostprijs of bedrijfswaarde. Die alinea is een stellige uitspraak.

Voor de micro-onderneming is de ruimte kleiner. Waardering tegen marktwaarde mag zij niet toepassen (art. 5a Besluit actuele waarde; RJk M1.303). Effecten en beleggingspanden blijven dus op kostprijs, eventueel afgewaardeerd naar een lagere marktwaarde. Actuele kostprijs voor een bedrijfspand mag wel.

Resultaatbepaling volgens RJ 135

5. De baten en lasten van het boekjaar worden in de jaarrekening opgenomen, onverschillig of zij tot ontvangsten of uitgaven in dat boekjaar hebben geleid.

art. 2:362 lid 5 BW

RJ 135 bouwt op deze regel het toerekeningsbeginsel: een transactie telt wanneer zij plaatsvindt, niet wanneer het geld komt. Daarnaast drie principes:

  • Voorzichtigheid. Bij onzekerheid schat u zo dat activa en baten niet te hoog en schulden en kosten niet te laag uitvallen. Bewust te laag of te hoog schatten is geen voorzichtigheid maar vertekening; RJ 135.203 sluit dat uit. Zie ook het voorzichtigheidsbeginsel.
  • Matching. Kosten volgen de opbrengst waarmee ze rechtstreeks samenhangen, zoals de kostprijs van verkochte goederen (matchingbeginsel). Is het verband indirect, dan spreidt u de kosten systematisch, zoals bij afschrijving. Matching mag nooit een actief op de balans zetten dat niet aan de opnamecriteria voldoet.
  • Correcties. Baten en lasten die eigenlijk bij vorige jaren hoorden, verwerkt u volgens RJ 150 Foutherstel (RJ 135.207, een stellige uitspraak).

Twee bijzondere gevallen. Een winstdeling die beloont voor geleverde arbeid of diensten is een last in het jaar waarop zij slaat. Een winstdeling die vergoedt voor het verschaffen van eigen vermogen, is resultaatbestemming (RJ 135.208). En sommige posten gaan eerst rechtstreeks naar het eigen vermogen en later alsnog door de winst-en-verliesrekening, zoals de reserve omrekeningsverschillen bij de verkoop van een buitenlandse deelneming (RJ 135.201).

Casus: Persbouw Noord BV bouwt een pers voor eigen gebruik

Persbouw Noord BV (fictief, middelgroot) bouwt van januari tot en met juni 2026 een hydraulische pers voor de eigen werkplaats. De bouw kost € 180.000 aan materiaal en € 60.000 aan directe arbeid. De BV rekent € 24.000 indirecte productiekosten toe en betaalt over een bouwkrediet van € 200.000 zes maanden 6% rente, € 6.000. De pers gaat op 1 juli 2026 in gebruik en gaat tien jaar mee, zonder restwaarde.

Alleen directe kostenMet indirecte kosten en bouwrente
Vervaardigingsprijs€ 240.000€ 270.000
Afschrijving 2026 (zes maanden)€ 12.000€ 13.500
Indirecte kosten en rente als last in 2026€ 30.000€ 0
Totale last 2026€ 42.000€ 13.500

Beide routes zijn toegestaan; het verschil van € 28.500 in het resultaat van 2026 vloeit de komende tien jaar terug via hogere afschrijving. Kiest de BV voor activering van rente, dan zegt de toelichting dat (art. 2:388 lid 2 BW), en dan moet zij rente activeren bij alle activa waarvoor de bouw veel tijd vraagt; rente over eigen vermogen telt nooit mee.

In december levert dezelfde BV een pers aan een klant voor € 95.000, met een kostprijs van € 61.000. De factuur gaat op 8 januari 2027 de deur uit en de agent krijgt zijn provisie van € 4.000 in februari. Omzet, kostprijs en provisie horen alle drie in 2026: de prestatie is geleverd en de kosten hangen er direct mee samen. Het resultaat op de order, € 30.000, telt dus in 2026.

Tot slot de winstdeling. De werknemers krijgen 8% van het resultaat vóór winstdeling van € 400.000, dus € 32.000: dat is personeelskosten in 2026. De houders van preferente aandelen met € 150.000 nominaal krijgen 6%, € 9.000: dat loopt via de resultaatbestemming, niet via de kosten.

Per grootteklasse

KlasseWelke regelsWat bijzonder is
Microart. 2:395a BW en RJk A2 en M1Geen marktwaarde; fiscale grondslagen mogen (art. 2:395a lid 7 BW); geen grondslagentoelichting, alleen de vermelding van fiscale grondslagen als u die kiest
KleinRJk A2.2 en A2.5, of op keuze de volledige RJFiscale grondslagen mogen (art. 2:396 lid 6 BW), dan alle fiscale grondslagen; grondslagen per post in de toelichting
MiddelgrootRJ 120 en RJ 135Toelichting op actuele waarde volgens RJ 120.403
GrootRJ 120 en RJ 135Als middelgroot

Fiscale grondslagen zijn een volledig pakket: een kleine BV die fiscaal afschrijft, kan voor haar beleggingspand niet ineens reële waarde kiezen. Zie waarderingsgrondslagen voor de fiscale route.

Versies per boekjaar

RJ 120 en RJ 135 kregen hun huidige vorm voor verslagjaren vanaf 1 januari 2025. Aanleiding was het schrappen van het Stramien uit de bundel: de Raad verplaatste de bepalingen die hij wilde houden naar de hoofdstukken van afdeling 1 en bedoelde daarmee geen inhoudelijke wijziging (RJ-Uiting 2024-12). Voor de boekjaren 2026 en 2027 zijn beide hoofdstukken ongewijzigd. In de RJk-editie 2027 komen er in A2 twee punten bij die raken aan presentatie, niet aan waardering: wanneer posten afzonderlijk vermeld moeten worden (A2.113a) en het advies om het Besluit modellen jaarrekening zoveel mogelijk te volgen als het niet verplicht is (A2.114a).

Veelgemaakte fouten

  • Een januarifactuur voor een decemberlevering als omzet van januari boeken.
  • Rente activeren bij het ene project en niet bij het andere.
  • Een micro-BV die effecten op beurskoers zet.
  • Een voorziening 'voor de zekerheid' opvoeren zonder verplichting op balansdatum.

Zo werkt het bij Jaarrekening.io

De app vraagt of u bij zelf vervaardigde activa rente hebt geactiveerd en voor welk bedrag, zodat de toelichting de vermelding van art. 2:388 lid 2 BW bevat. Kiest een micro- of kleine rechtspersoon fiscale grondslagen, dan waarschuwt de app als er toch een herwaardering of latente belasting in de cijfers staat. De keuze van de grondslag zelf en de schattingen blijven oordelen van het bestuur.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen verkrijgingsprijs en vervaardigingsprijs?

De verkrijgingsprijs geldt voor wat u koopt: inkoopprijs plus bijkomende kosten (art. 2:388 lid 1 BW). De vervaardigingsprijs geldt voor wat u zelf maakt: materiaal en kosten die direct aan het maken toe te rekenen zijn, eventueel aangevuld met een redelijk deel indirecte kosten en rente tijdens de bouw (art. 2:388 lid 2 BW).

Mag een micro-BV haar beleggingspand tegen marktwaarde waarderen?

Nee. Artikel 5a van het Besluit actuele waarde verbiedt waardering tegen marktwaarde voor een micro-rechtspersoon (RJk M1.303). Het pand staat op kostprijs min afschrijving, en wordt afgewaardeerd als de waarde duurzaam lager is.

Wanneer neem ik een verlies op dat pas na de balansdatum bekend wordt?

Ontstaat het verlies uit een situatie die op de balansdatum al bestond en wordt het bekend vóór het opmaken van de jaarrekening, dan neemt u het mee (art. 2:384 lid 2 BW). Ligt de oorzaak na de balansdatum, dan is het een gebeurtenis voor het volgende jaar, die u zo nodig toelicht.

Is een winstdeling aan personeel een kostenpost?

Ja, als zij een beloning is voor arbeid in het boekjaar. Dan verwerkt u haar als last in het jaar waarop zij slaat (RJ 135.208). Een winstdeling die vergoedt voor eigen vermogen, zoals op preferente aandelen, is resultaatbestemming.

Gelden RJ 120 en 135 ook voor een kleine BV?

Niet rechtstreeks. Een kleine BV volgt de RJk, waar hetzelfde in hoofdstuk A2 staat (A2.2 prijsgrondslagen, A2.5 resultaatbepaling). Kiest zij voor de volledige RJ, dan gelden RJ 120 en 135.

Lees ook

Klaar voor uw jaarrekening?

Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.

Gratis starten