Wet: Titel 9 Boek 2 BW

Artikel 2:385 BW: afzonderlijke waardering, fifo, lifo en eigen aandelen

Artikel 2:385 BW gaat over de techniek van het waarderen: elk actief apart, welke kostprijsformules voor voorraden mogen, wanneer een vaste waarde volstaat en wat nooit op de balans mag.

✓ Eerste jaarrekening gratis ✓ Micro tot grote rechtspersoon ✓ Publicatieversie per grootteklasse ✓ Primaire database in de EU · verwerkersovereenkomst

Het korte antwoord

Artikel 2:385 BW vraagt elk actief en passief afzonderlijk te waarderen, laat voor gelijksoortige voorraden en effecten gewogen gemiddelde prijzen, fifo, lifo of een vergelijkbare formule toe, staat een vaste hoeveelheid en waarde toe voor kleine, steeds vervangen bestanden, begrenst goodwill tot de uitgaven min afschrijving en verbiedt eigen aandelen te activeren. Ook een micro past het toe.

Bijgewerkt op 27 oktober 2026

Kerngegevens

Plaats in de wetAfdeling 6 van Titel 9
Voor wieElke klasse, ook micro (waarderingsregel); bij fiscale grondslagen gelden de fiscale regels
KostprijsformulesGewogen gemiddelde, fifo, lifo of vergelijkbaar, voor gelijksoortige voorraden en effecten (lid 2); IFRS staat lifo niet toe, Titel 9 wel
UitwerkingRJ 220 en RJk B4 (voorraden), RJ 212 en RJk B2 (vaste waarde), RJ 210 en RJk B1 (goodwill), RJ 240 en RJk B8 (eigen aandelen)

Lid 1: elk actief en passief apart

1. De activa en passiva worden, voor zover zij in hun betekenis voor het in artikel 362 lid 1 bedoelde inzicht verschillen, afzonderlijk gewaardeerd.

art. 2:385 lid 1 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Wat betekent dit. U mag een waardedaling van het ene actief niet wegstrepen tegen een stille meerwaarde van het andere. Is het pand in Zwolle € 80.000 minder waard geworden en het pand in Deventer € 120.000 meer, dan waardeert u Zwolle af; de meerwaarde in Deventer mag dat verlies niet opvangen. Waar posten voor het inzicht niet verschillen, zoals duizend identieke schroeven, mag u ze als groep waarderen; dat is waar lid 2 en 3 op voortbouwen.

Lid 2: kostprijsformules voor voorraden en effecten

2. De waardering van gelijksoortige bestanddelen van voorraden en effecten mag geschieden met toepassing van gewogen gemiddelde prijzen, van de regels "eerst-in, eerst-uit" (Fifo), "laatst-in, eerst-uit" (Lifo), of van soortgelijke regels.

art. 2:385 lid 2 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Wat betekent dit. Koopt u hetzelfde artikel tegen steeds andere prijzen, dan moet u een aanname doen over welke eenheden u hebt verkocht. Fifo neemt aan dat de oudste eerst gaan, zodat de eindvoorraad tegen de recentste prijzen staat. Lifo neemt aan dat de nieuwste eerst gaan, zodat de eindvoorraad tegen oude prijzen staat. Het gewogen gemiddelde middelt alles. RJ 220.313 vraagt dezelfde formule voor voorraden die naar aard en gebruik vergelijkbaar zijn; voor wezenlijk verschillende voorraden mag een andere formule. Titel 9 staat lifo toe; IFRS niet. Wisselen van formule is een stelselwijziging en mag alleen om gegronde redenen.

Lid 3: vaste hoeveelheid en waarde

3. Materiële vaste activa en voorraden van grond- en hulpstoffen die geregeld worden vervangen en waarvan de gezamenlijke waarde van ondergeschikte betekenis is, mogen tegen een vaste hoeveelheid en waarde worden opgenomen, indien de hoeveelheid, samenstelling en waarde slechts aan geringe veranderingen onderhevig zijn.

art. 2:385 lid 3 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Wat betekent dit. Een cateraar met 2.000 borden, een hotel met beddengoed of een bouwbedrijf met steigermateriaal dat steeds wordt aangevuld, mag dat bestand op een vaste hoeveelheid tegen een vaste prijs zetten en vervangingen als kosten boeken. Alle vier de voorwaarden moeten kloppen: regelmatige vervanging, een totaal van ondergeschikte betekenis, en een hoeveelheid, samenstelling en waarde die weinig schommelen. Groeit het bestand flink, dan past u de vaste waarde aan.

Lid 4 en 5: goodwill en eigen aandelen

4. De in artikel 365 lid 1 onder d en e genoemde activa worden opgenomen tot ten hoogste de daarvoor gedane uitgaven, verminderd met de afschrijvingen.

5. Eigen aandelen of certificaten daarvan die de rechtspersoon houdt of doet houden, mogen niet worden geactiveerd. De aan het belang in een dochtermaatschappij toegekende waarde wordt, al dan niet evenredig aan het belang, verminderd met de verkrijgingsprijs van aandelen in de rechtspersoon en van certificaten daarvan, die de dochtermaatschappij voor eigen rekening houdt of doet houden; heeft zij deze aandelen of certificaten verkregen voor het tijdstip waarop zij dochtermaatschappij werd, dan komt evenwel hun boekwaarde op dat tijdstip in mindering of een evenredig deel daarvan.

art. 2:385 lid 4 en 5 BW (tekst geldend vanaf 1 juli 2026)

Wat betekent dit. Lid 4 gaat over gekochte goodwill en vooruitbetalingen op immateriële vaste activa (artikel 2:365 lid 1 onder d en e): die staan hooguit op wat u ervoor betaalde min afschrijvingen. Herwaarderen naar een hogere actuele waarde kan dus niet. Lid 5: eigen aandelen zijn geen bezit. Koopt de BV aandelen in zichzelf in, dan gaat de prijs af van een reserve, niet naar de activa; zie artikel 2:378. Houdt een dochter aandelen in haar moeder, dan verlaagt de moeder de waarde van die dochter met de koopprijs ervan, of met de boekwaarde op het moment dat de dochter dochter werd.

Voor wie, en sinds wanneer

Artikel 2:385 is een waarderingsregel en geldt dus voor alle klassen, ook voor de micro (RJk M1.301). Wat per klasse verschilt, is de toelichting: middelgroot, groot en klein leggen de gekozen kostprijsformule uit als grondslag (art. 2:384 lid 5 BW); de micro hoeft dat niet. Kiest een micro- of kleine rechtspersoon fiscale grondslagen, dan volgt de voorraadwaardering de fiscale regels; de jaarrekening sluit dan aan op de aangifte. De tekst van het artikel is in de boekjaren 2025, 2026 en 2027 dezelfde; RJ 220 is aangepast voor boekjaren vanaf 2026, RJk B4 is sinds 2021 ongewijzigd. Uitwerking: RJ 220 voorraden, RJ 212 en RJ 210.

Casus: dezelfde voorraad met drie formules

Groothandel Fietsdeel BV (fictief) begint 2026 met 1.000 kettingsets van € 10. In maart koopt zij er 2.000 bij voor € 11 en in september 1.500 voor € 12. Zij verkoopt in het jaar 3.000 sets en houdt er 1.500 over. De totale inkoopwaarde van wat zij had, is 10.000 + 22.000 + 18.000 = € 50.000.

Formule (lid 2)Eindvoorraad 1.500 setsKostprijs van de omzet
Fifo: de oudste sets zijn verkocht1.500 × € 12 = € 18.000€ 32.000
Gewogen gemiddelde: € 50.000 / 4.500 = € 11,111.500 × € 11,11 = € 16.667€ 33.333
Lifo (per periode): de nieuwste sets zijn verkocht1.000 × € 10 + 500 × € 11 = € 15.500€ 34.500

In elke regel tellen eindvoorraad en kostprijs van de omzet op tot € 50.000. Bij stijgende prijzen geeft fifo de hoogste winst en lifo de laagste. Daarna komt de toets van artikel 2:387: verkoopt Fietsdeel de sets eind 2026 nog maar voor € 12,30 met € 0,80 verkoopkosten, dan is de opbrengstwaarde € 11,50. Onder fifo staat de voorraad op € 12 en moet zij 1.500 × € 0,50 = € 750 afwaarderen; onder het gewogen gemiddelde en lifo niet.

Daarnaast houdt Fietsdeel 400 rolcontainers van € 100 die geregeld kapotgaan en worden vervangen. Zij zet ze op een vaste waarde van € 40.000 (lid 3) en boekt de vervanging van 35 containers in 2026 als kosten.

Fouten bij voorraadformules en eigen aandelen

  • Een verlies op het ene actief verrekenen met een stille meerwaarde op een ander.
  • Verschillende kostprijsformules gebruiken voor vergelijkbare voorraden in twee vestigingen.
  • Midden in het jaar van fifo naar gemiddelde overstappen zonder het als stelselwijziging te behandelen.
  • Een vaste waarde voor inventaris aanhouden terwijl het bestand sterk is gegroeid.
  • Ingekochte eigen aandelen als financieel vast actief op de balans zetten.

Bronnen

Juridische mededeling: deze informatie is algemeen van aard en vervangt geen fiscaal of juridisch advies of accountantscontrole. De inhoudelijke juistheid en volledigheid van de jaarrekening blijven de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Veelgestelde vragen

Mag ik lifo gebruiken in de jaarrekening van een BV?

Ja. Artikel 2:385 lid 2 BW staat gewogen gemiddelde prijzen, fifo, lifo en vergelijkbare formules toe voor gelijksoortige voorraden en effecten. RJ 220 vraagt dezelfde formule voor voorraden van vergelijkbare aard en gebruik. Wie IFRS toepast, mag lifo niet gebruiken.

Wanneer mag ik inventaris tegen een vaste waarde opnemen?

Als het gaat om materiële vaste activa of grond- en hulpstoffen die geregeld worden vervangen, waarvan de totale waarde van ondergeschikte betekenis is en waarvan hoeveelheid, samenstelling en waarde weinig veranderen (art. 2:385 lid 3 BW). Vervangingen boekt u dan als kosten.

Mag een BV ingekochte eigen aandelen activeren?

Nee. Eigen aandelen of certificaten die de rechtspersoon houdt of laat houden, mogen niet worden geactiveerd (art. 2:385 lid 5 BW). U brengt de prijs ten laste van een reserve, in de regel de overige reserves, en vermeldt de inkoop in het mutatieoverzicht.

Mag gekochte goodwill tegen actuele waarde worden gewaardeerd?

Nee. Gekochte goodwill en vooruitbetalingen op immateriële vaste activa staan hooguit op wat ervoor is betaald, min de afschrijvingen (art. 2:385 lid 4 BW).

Lees ook

Klaar voor uw jaarrekening?

Uw eerste jaarrekening is gratis, voor elke grootteklasse. Maak een account aan en stel haar op volgens Titel 9 BW2, van saldibalans tot publicatiestukken.

Gratis starten